Soms lijkt het alsof je naar fictie kijkt. Alsof het een scène is uit een harde reeks, ver weg van onze realiteit. Maar dat is het niet. Vorige week werd een jongen van 15 jaar overgoten met benzine en in brand gestoken door leeftijdsgenoten. Geen fictie, maar een feit dat ons midden in het gezicht treft. Als Kamerlid, maar vooral als mens en als ouder, komt zoiets bijzonder hard binnen. Je denkt meteen: dit zou eender welk kind kunnen zijn.
Het is geen geïsoleerd incident. De voorbije maanden zien we steeds vaker ernstig geweld tussen jongeren. In Kampenhout-Sas werd een jongen zwaar toegetakeld terwijl anderen toekeken en filmden. In Halle werd een 16-jarige neergestoken door minderjarigen. Het zijn feiten die tonen dat er iets grondig fout loopt.
De reflex om naar de overheid te kijken, is terecht. Maar laat ons eerlijk zijn: opvoeding begint thuis. Ouders hebben de eerste verantwoordelijkheid om grenzen te stellen, om respect en normen mee te geven. Alleen volstaat dat vandaag duidelijk niet altijd. En precies daar moet de overheid haar rol opnemen. Voor mij is de lijn helder: wie geweld pleegt, moet geconfronteerd worden met de gevolgen. We mogen dit niet relativeren of minimaliseren. Zinloos geweld hoort niet thuis in onze samenleving.
Dat betekent ook dat we moeten investeren waar het verschil gemaakt wordt. Nabijheid is daarbij cruciaal. Wijkinspecteurs en jeugdbrigades zijn vaak de eersten die signalen opvangen, die jongeren kennen, die escalatie kunnen voorkomen. Als zij onder druk staan, verliest ons veiligheidsbeleid zijn voeling met de realiteit op het terrein.
Daarom pleiten we al langer voor meer inzet op lokale politiezorg en een versterking van die jeugdgerichte aanpak. Niet alleen repressief, maar ook preventief. Jongeren moeten de politie niet alleen zien wanneer het misloopt, maar ook leren kennen als aanspreekpunt, als deel van hun omgeving. Tegelijk moet de politie ook de ruimte krijgen om kordaat op te treden wanneer grenzen overschreden worden. Het is dan ook positief dat in het regeerakkoord stappen voorzien zijn, zoals het versterken van het aantal wijkinspecteurs waar cd&v steeds voor gepleit heeft. Het wetsontwerp dat daar binnenkort over besproken wordt, is een belangrijke stap vooruit.
Wat mij vooral bijblijft na zo’n debat, is dat dit geen abstracte discussie is. Dit gaat over jongeren, over gezinnen, over onze samenleving. Over de vraag in wat voor land we willen leven. Als we nu niet ingrijpen, riskeren we dat dit soort geweld verder normaliseert. En dat mogen we nooit laten gebeuren.