Vandaag in de Kamer confronteerde ik de minister van Binnenlandse Zaken met de chaos die dinsdag in Brussel werd aangericht. Wat we toen zagen, was een pijnlijk contrast. Aan de ene kant: 80.000 mensen die op een vreedzame manier hun stem lieten horen, een toonbeeld van hoe protest in een democratie hoort te verlopen. Aan de andere kant: een kleine, maar gewelddadige groep extreemlinks tuig dat er alles aan deed om dat vreedzame signaal te overschaduwen.
Gebouwen van de Dienst Vreemdelingenzaken werden bestormd met vuurpijlen. Het Hiltonhotel werd kort en klein geslagen. Gasten en personeel zaten achtergelaten in doodsangst. Dat was geen spontane opstoot van woede, maar georganiseerd geweld. En dat geweld komt niet uit het niets.
Extreme partijen voeden extreem geweld. Woorden doen ertoe. Wanneer partijen zoals de PVDA voortdurend aanzetten tot opstand, wanneer ze mensen tegen elkaar opzetten, dan creëer je een klimaat waarin geweld plots “normaal” lijkt. Dinsdag konden we allemaal zien waar dat toe leidt. De kleine zelfstandige zag zijn etalage in diggelen. De ambtenaar die braaf achter zijn computer zat te werken, werd bekogeld met stenen.
Vreedzaam protest hoort bij de democratie. Maar wie stenen gooit, brand sticht of anderen bedreigt, heeft daar geen plaats. Daarom riep ik de minister op om bestaande regels eindelijk toe te passen. Er bestaat namelijk al een mogelijkheid om gewelddadige onruststokers te weren van toekomstige betogingen. Dat systeem werd nog onder minister Verlinden ingevoerd. Het moet nu gewoon consequent worden uitgevoerd.
Ik hoop dan ook dat alle partijen de moed hebben om het geweld van dinsdag duidelijk en ondubbelzinnig te veroordelen.