De signalen waren er al langer, en we hebben er ook herhaaldelijk voor gewaarschuwd: importeer het conflict in het Midden-Oosten niet naar ons land, want wat ver weg lijkt heeft onvermijdelijk impact hier. Ondertussen zien we de eerste tekenen van onrust opduiken. Verdachte pakketjes, verhoogde waakzaamheid, en vooral: mensen die zich opnieuw zorgen maken. Wat mij het meest treft? Dat zelfs kinderen hun angst uitspreken. Dat gevoel van onveiligheid mogen we nooit accepteren als overheid.
België is geen eiland. Als gastland van de Europese instellingen en de NAVO zijn we één van de belangrijkste diplomatieke knooppunten ter wereld. Dat is een sterkte, maar het maakt ons tegelijk ook kwetsbaar als potentieel doelwit. Net daarom mogen we niet wachten tot het misgaat. Veiligheid vraagt anticipatie, geen reactie achteraf. Het vraagt een strategie die helder, doordacht en vooral structureel is.
Voor mij begint dat bij duidelijke afspraken. Wanneer militairen ingezet worden in het straatbeeld, moet dat gebeuren volgens de juiste procedures en met een centrale rol voor dreigingsanalyse. Dat is geen detail, dat is essentieel om gericht en proportioneel op te treden. We moeten echter verder kijken dan tijdelijke maatregelen. Als dreigingen uit het buitenland toenemen, dan moet onze binnenlandse veiligheid daarop afgestemd zijn. Dat betekent dat bescherming geen momentopname mag zijn. Onze steden en gemeenten verdienen permanente waakzaamheid, geen ad-hoc aanpak telkens wanneer de spanning stijgt.
Mijn vragen aan de minister van Binnenlandse Zaken waren dan ook de volgende: zijn we voldoende voorbereid? Kunnen we snel optreden en hebben we daartoe de noodzakelijke capaciteit? Welke maatregelen neemt u samen met alle veiligheidsdiensten om aanslagen in ons land te voorkomen?